Onderzoeksresultaten autorijden en cannabis

 

Nederlandse bewerking ©JosNijsten2005

 

 

Marihuana heeft minder ongunstig effect op rijden dan alcohol of vermoeidheid. Dat is de conclusie van een Brits onderzoek van de Transport Research Laboratory (TRL). Het resultaat bevestigt eerdere bevindingen in de Verenigde Staten, Australiė en andere landen, dat marihuanagebruik een relatief onbelangrijke rol speelt met betrekking tot verkeersongevallen. NORML-directeur Allen St. Pierre zegt dat de resultaten geen verrassing zijn: "Onderzoek na onderzoek blijkt dat de lichte invloed van marihuana op het reactievermogen in het algemeen binnen de veiligheidsgrens ligt die aanvaard werd voor medicatie en andere legale mogelijk verzwakkende factoren. De bevindingen van dit laatste onderzoek wijken daar niet van af."

 

In de TRL-studie werd de rijvaardigheid onderzocht bij 15 vrijwilligers die of een hoge dosis, of een lage dosis, of een placebo hadden toegediend gekregen. Allen werden getest met een hightech rijsimulator. De onderzoekers ontdekten dat marihuana blijkbaar een ongunstige invloed had op de accuraatheid van het sturen, maar ontdekten geen invloed van de drug op het reactievermogen of andere noodzakelijke rijvaardigheden.

 

De onderzoekers stelden ook vast dat de proefpersonen zich goed bewust waren van hun afgezwakte rijvaardigheid en zij trachtten dit te compenseren door de moeilijkheidsgraad van de rijtest te verlagen door bijvoorbeeld langzamer te rijden.

 

De auteurs van de studie besloten: "In termen van verkeersveiligheid kan niet geconcludeerd worden dat rijden onder invloed van cannabis geen risico's inhoudt. Nochtans, in vergelijking met alcohol: de ernstige effecten van alcohol op het rijden houden meer risico in, voornamelijk bij zwaarder gebruik van dit laatste."

 

Vergelijkbaar onderzoek werd eerder al gedaan door TRL en hieruit bleek dat alcohol en slaaptekort een veel ongunstiger effect hadden op de rijvaardigheid, dan marihuana. Studies in andere landen leverden dezelfde resultaten op. Uit een Australisch overzicht van mei 1998 over 2.500 gekwetste automobilisten bleek dat cannabis "geen noemenswaardig effect" had op hun rijvaardigheid. Resultaten die gepubliceerd werden door de U.S. National Highway Traffic Savety Administration in 1992 en 1993 meldden dat de ongunstige effecten van marihuana op het rijden "relatief klein" zijn en concludeerden dat "er geen harde bewijzen waren dat marihuana substantieel bijdraagt tot verkeersongevallen of ongevallen met dodelijke afloop." Het onderzoek werd uitgevoerd door TRL en was besteld door het Britse ministerie van Leefmilieu en Transport. (Bron: NORML februari 2001)

 

 

Samenvatting: Zimmer en Jones (Lindesmith)

 

"Marihuana en werkelijke rijprestaties" VS-ministerie voor transport

(Zie ook: "Cannabis and road safety": een schets van de onderzoeken naar de effecten van cannabis op de rijvaardigheid en de werkelijke rijprestaties, door Dr. G.B. Chesher, van de afdeling farmacologie van de Universiteit van Sydney en het Nationaal Onderzoekscentrum voor Drugs en Alcohol van de Universiteit van New South Wales.).

 

 

Uittreksels

 

"Resultaten met rijsimulator bij proefpersonen met een normale 'high', en dezelfde personen in nuchtere toestand: geen belangrijke verschillen. Er zijn bij alcoholintoxicatie aanzienlijk meer fouten vastgesteld, volgens dezelfde meetmethode."

(Cranceronderzoek, Washington Department of Motor Vehicles)

 

"In tegenstelling tot alcohol, wat de mensen aanzet tot het nemen van meer risico's in het verkeer, doet marihuana de bestuurder langzamer rijden en voorzichtiger. (...) Cannabis is goed voor de rijvaardigheid want men heeft de neiging een vermindering van de waarneming, te overcompenseren."

(Professor Olaf Drummer, rechtswetenschapper aan het Royal College of Surgeons in Melbourne, 1996)

 

Ook in "Marihuana en werkelijke rijprestaties": "Dit onderzoeksproject heeft aangetoond dat marihuana, zonder andere producten, een lichte vermindering in de rijprestaties tot gevolg heeft, die afhankelijk is van de geconsumeerde dosis THC. De vermindering uit zich vooral in het vermogen om op een vaste lijn positie te houden, maar de grootte van de verzwakking is niet uitzonderlijk in vergelijking met de veranderingen ten gevolge van heel wat medicijnen of alcohol. Bestuurders onder invloed van marihuana behouden het inzicht in hun prestaties en zullen compenseren waar ze kunnen, bijvoorbeeld door langzamer te rijden of de inspanning te vergroten. Bijgevolg blijken de effecten van THC op de rijprestaties relatief klein te zijn."

(US Department of Transportation, National Highway Traffic Safety Administration (DOT HS 808078); eindconclusies, november 1993)

 

Voor het onderzoek werden Nederlandse autobestuurders gebruikt in Nederland en het onderzoek werd betaald door de VS-overheid. De effecten van marihuana op de werkelijke rijprestaties werden vastgesteld in een reeks van drie onderzoeken waarin het dosisgebonden effect werd gemeten in werkelijke rijsituaties die de werkelijkheid sterk benaderen.

 

 

Introductie

 

Het artikel beschrijft de resultaten van een onderzoeksprogramma dat opgezet was om de dosisgebonden relatie te bepalen enerzijds tussen marihuana en de objectief zowel als de subjectief gemeten aspecten van het echte besturen van een wagen, en anderzijds om te bepalen of er een mogelijk verband bestaat tussen een verminderde rijvaardigheid en concentraties van de drug of bestanddelen ervan in het bloed.

 

Het programma omvatte drie onderzoeken met verschillende rijopdrachten waaronder:

 

* het aanhouden van een constante snelheid en laterale positie op de rijweg gedurende een ononderbroken rit op de snelweg

* het volgen van een voorop rijdende wagen met variabele snelheid op de snelweg

* het rijden in de stad

 

Een laboratoriumonderzoek ging aan de rijtesten vooraf om de hoogste dosis THC vast te stellen die in de vooropgestelde studies gebruikt diende te worden.

 

 

Algemene procedure

 

De deelnemers aan alle onderzoeken waren recreatieve gebruikers van marihuana of hasj, dit wil zeggen, mensen die meer dan eens per maand gebruiken, maar niet dagelijks. Ze waren allemaal gezond, tussen 21 en 40 jaar oud, van normaal gewicht en met een goed gezichtsvermogen, en uiteraard in het bezit van een rijvergunning. Daarnaast werd de overheid ingelicht met toestemming van de vrijwilligers, en werd nagegaan of zij eerder geen veroordelingen hadden opgelopen voor dronken rijden of drughandel. Elke deelnemer moest een urinestaal inleveren onmiddellijk na aankomst op de plaats van de test. De stalen werden onderzocht op de aanwezigheid van volgende drugs of sporen ervan: cannabinoļden, benzodiazepines, opiaten, cocaļne, amfetamines en barbituraten. Daaraan werd nog een ademanalyse toegevoegd in verband met alcoholsporen. Bloedstalen werden herhaaldelijk genomen na het roken. Bloedanalyses m.b.t. THC en THC-COOH werden verricht door middel van gaschromatografie massaspectrometrie met gestandaardiseerde cannabinoļden als vergelijkingspunt.

 

Marihuana- en placebomarihuana-sigaretten werden ter beschikking gesteld door het Amerikaanse National Institute on Drug Abuse (NIDA). De laagste en de hoogste THC-concentraties die in de onderzoeken gebruikt werden beliepen respectievelijk 1,75 procent en 3,75 procent. De proefpersonen rookten de sigaretten door een plastic sigarettenhouder op hun eigen manier. Zij werden tijdens alle rijproeven vergezeld door een erkende rijinstructeur. Een meer dan veilig controlesysteem was in het testvoertuig aanwezig voor noodsituaties tijdens de tests. Bij elke test werden de proefpersonen aan een aantal laboratoriumstudies onderworpen (bijv. handvastheid en lichaamsevenwicht), hun graad van intoxicatie werd nagegaan, en hun wil tot rijden in specifieke omstandigheden. Daarnaast werden hartslag en bloeddruk gemeten. De resultaten van deze laatstgenoemde metingen zijn elders vermeld (Robbe, 1994).

 

 

Labonderzoek

 

Methoden

Vierentwintig proefpersonen, evenveel mannen als vrouwen, namen deel aan het onderzoek. Zij kregen drie sigaretten waarvan zij een gedeelte of alles mochten roken om het gewenste psychologische effect te verkrijgen. De enige vereiste was dat de rooktijd beperkt bleef tot 15 minuten. Als de proefpersonen stopten met roken werden de resten van de sigaretten met zorg verzameld om later de geconsumeerde hoeveelheid THC te bepalen.

 

Resultaten

Zes deelnemers rookten 1 sigaret, dertien rookten er twee, en vier proefpersonen rookten drie sigaretten (de gegevens van 1 mannelijke deelnemer werden niet mee in de cijfers opgenomen omdat er na het roken geen sporen van drugs in zijn bloed werden gevonden). De gemiddelde hoeveelheid geconsumeerde THC was 20,8 mg. Omgerekend naar het lichaamsgewicht bedroeg de hoeveelheid THC 308 eenheden per kilogram lichaamsgewicht. Opgemerkt moet worden dat deze hoeveelheden THC zowel de geļnhaleerde dosis vertegenwoordigen als de hoeveelheid THC die door de verbranding en verdamping tijdens het roken verloren gaat.

 

Tussen mannen en vrouwen bleken er geen noemenswaardige verschillen, evenmin tussen geregelde en gelegenheidsgebruikers, rekening houdend echter met de aanpassing van de dosis t.o.v. het lichaamsgewicht. Er werd besloten dat voor de latere onderzoeken een dosis van maximaal 300 eenheden THC per kilogram lichaamsgewicht gebruikt zou worden.

        

 

1: RIJDEN OP EEN AFGESLOTEN SNELWEG

        

Methoden

Het eerste onderzoek gebeurde op een stuk snelweg dat voor ander verkeer afgesloten was. De 24 testpersonen, dezelfde 12 mannen en 12 vrouwen, kregen bij verschillende gelegenheden THC toegediend: 100, 200 of 300 g/kg, of 0 g/kg (placebo). Toediening gebeurde dubbelblind en in een afgewogen volgorde. Bij elke gelegenheid deden de proefpersonen een rijtest die 40 minuten na het begin van het roken begon en een uur later herhaald werd. De test hield onder meer in dat een constante snelheid van 90 km per uur en een vaste laterale positie moest aangehouden worden tussen de lijnen op het wegdek. Zij reden 22 km op de snelweg in het bijzijn van een erkende rijinstructeur. De belangrijkste parameter was de standaardafwijking van de laterale rijpositie (sdlp) die al betrouwbaar en zeer gevoelig gebleken was bij het bepalen van de invloed van kalmerende medicijnen en alcohol.

 

Een andere belangrijke afwijking was de gemiddelde snelheid. Tien minuten voor de rijtests werden bloedstalen genomen (respectievelijk 30 en 90 minuten na de eerste trek).

 

Resultaten

Alle proefpersonen wilden en konden de tests zonder problemen afwerken. De gegevens van 1 persoon werden uitgesloten omdat er geen drug in zijn bloed gevonden werd. Marihuana verzwakt de rijvaardigheid als het gaat om de laterale rijpositie: alle gebruikte doses THC hadden een belangrijke invloed op de laterale rijpositie in vergelijking met placebo.

        

 

2: RIJDEN OP DE SNELWEG TUSSEN IN HET VERKEER

        

Methoden

Het tweede onderzoek gebeurde op de snelweg in de aanwezigheid van ander verkeer. Een nieuwe groep van 16 proefpersonen kregen op dezelfde manier als in de eerste studie THC toegediend. Ze moesten 64 kilometer afleggen voorafgegaan en gevolgd door 16 km lange volgtests.

Evenveel mannen als vrouwen namen deel aan het onderzoek. Er werd gekozen voor een conservatieve benadering voor de opzet van dit onderzoek teneinde de meest strikte veiligheidsnormen aan te houden. Dit wil zeggen, het onderzoek werd gevoerd met stijgende doses waar zowel actieve stof als placebo werd toegediend, dubbelblind, voor elk van de drie THC-doses. De toegediende doses waren dezelfde als in het vorige onderzoek, namelijk 100, 200 en 300 g/kg. De gebruikte sigaretten zagen er allemaal hetzelfde uit bij elke stap in het onderzoek. Indien een proefpersoon zou overreageren op een lagere dosis, dan zou aan die persoon geen hogere dosis toegediend worden.

Ze begonnen de eerste volgtest 45 minuten na het roken. Dit gebeurde op een 16 km lang stuk snelweg en duurde ongeveer 15 minuten. Dan reden de proefpersonen op dezelfde snelweg een afstand van 64 km in een tijd van ongeveer 50 minuten, en daarna kwam opnieuw een volgtest van 16 km. Er werden bloedstalen genomen voor de eerste test en na de laatste. Dit is respectievelijk 35 minuten en 190 minuten na het roken.

 

De test voor de laterale rijpositie was dezelfde als in de eerste studie, behalve wat betreft de tijdsduur en de aanwezigheid van ander verkeer. Bij de volgtest moest de snelheid aangepast worden aan die van de voorop rijdende wagen die een aantal versnellings- en vertragingsmanoeuvres uitvoerde. Ondanks de veranderende snelheid moest een afstand van 50 meter bewaard worden. De snelheid varieerde daarbij van 80 tot 100 km/u. De tijdsduur van een versnellings- en vertragingsmanoeuvre beliep circa 50 seconden en werd 6 tot 8 keer herhaald tijdens de test, afhankelijk van de omringende verkeersdrukte. De gemiddelde reactietijd van de proefpersonen op de bewegingen van de voorop rijdende wagen, de gemiddelde afstand en de variatiefactor gedurende de manoeuvres, werden beschouwd als basisgegevens.

 

Resultaten

Alle proefpersonen konden de testen volledig afwerken zonder enige onvoorziene reactie tijdens het rijden. De gegevens van een vrouwelijke proefpersoon werden uit de resultaten geweerd omdat in haar bloed geen sporen van de drug werden teruggevonden na het roken. De laterale rijvaardigheid was verzwakt in dezelfde dosisafhankelijke mate als bij de eerste test op een gesloten snelweg. Die onderzoeksresultaten worden in deze test bevestigd. De dosis van 100 g/kg resulteerde in een lichte verhoging van de gemiddelde sdlp, hoewel statistisch onbelangrijk. Tijdens de volgtest behielden de proefpersonen die placebo kregen in de opeenvolgende tests, een afstand van 45 tot 50 meter. De gemiddelde afstand vergrootte met 8, 6 en 2 meter overeenkomstig THC-doses van resp. 100, 200 en 300 g/kg.

 

Het aanvankelijk grote verschil tussen drug en placebo en de daaropvolgende afname, is een verrassend resultaat. Onze verklaring voor deze waarneming is dat de voorzichtigheid van de proefpersonen groter was wanneer ze de eerste keer de test ondergingen onder invloed van THC, en minder naarmate de test vorderde. De reactietijd op de snelheidswijzigingen van het voorop rijdende voertuig verhoogde na THC-toediening in vergelijkbare mate als bij placebo. De toegediende THC dosis stond omgekeerd evenredig tot de wijziging in reactietijd, evenals tot de afstand.

 

Hoewel, de verhoogde reactietijden waren deels te wijten aan een langere afstand tussen de voertuigen. Het is namelijk zo dat, hoe groter de afstand tot een voorop rijdend voertuig is, hoe moeilijker het wordt om de snelheidswijzigingen waar te nemen. Statistische correctie voor deze variabele resulteerde in een onbelangrijke verhoging van de reactietijd na een marihuanabehandeling. De grootste afwijking (0,32 seconde) werd vastgesteld tijdens de eerste test na de laagste THC-dosis. De verschillen in afstand volgden een gelijklopend patroon als de gemiddelde afstand en de reactietijd; de grootste verzwakking werd vastgesteld na de laagste THC-dosis. Net als in de eerste studie stonden de concentraties van de drug in het bloed niet in verhouding tot de vermindering van de rijvaardigheid.

        

 

3: RIJDEN IN STADSVERKEER

 

Methoden

Het programma vervolgde met een derde onderzoek naar de rijvaardigheid in het stadsverkeer. Het is dan ook logisch dat omwille van de veiligheid de doses THC beperkt bleven tot 100 g/kg. De THC werd toegediend aan een nieuwe groep van 16 regelmatige marihuana- of hasjgebruikers, samen met een placebo. Om te kunnen vergelijken kreeg een andere groep van 16 regelmatige gebruikers van alcohol, niet van marihuana, een kleine dosis van hun favoriete recreatieve drug, ethanol, toegediend, en ook weer een placebo, alvorens eenzelfde rijtest te doen. Beide groepen bestonden uit evenveel vrouwen als mannen. 100 g/kg THC werden toegediend. De rijtest begon 30 minuten na het roken. De alcoholdosis die toegediend werd veroorzaakte een BAC (Bloed-Alcohol-Concentratie) van 0,015 g%. De rijtest begon 45 minuten na de eerste slok. Actieve stoffen en placebo werden dubbelblind toegediend gelijk verdeeld over de twee groepen. Onmiddellijk voor en na alle rijtests, 20 en 80 minuten na het roken, 35 en 95 minuten na het drinken, werden bloedstalen genomen. De rijtests werden uitgevoerd bij dag over een vaste route van 17,5 kilometer binnen de grenzen van Maastricht. De proefpersonen reden hun rit met actieve stof en placebo bij druk, middelmatig en rustig verkeer op dezelfde dag van de week, op hetzelfde uur van de dag. Er werden voor die studie twee meetmethoden gehanteerd.

 

De eerste benadering gebeurde zoals Jones (1978) beschrijft en waarin gebruik gemaakt wordt van een speciaal opgeleide waarnemer die eenvoudige en strikte criteria toepast om vast te leggen wanneer een bestuurder al dan niet correct reageert op een aantal waarneembare vooraf bepaalde situaties langs de gekozen rijweg.

 

De tweede benadering vereiste van de rijinstructeur dat hij als veiligheidswaarnemer de tests controleerde en in een beoordeling achteraf punten toekende overeenkomstig de Nederlandse testregels van de rijvaardigheid.

 

In totaal werden 108 punten vooropgesteld waarvoor men kon slagen of falen. De totale prestatie werd afgemeten aan het percentage items waarin geslaagd was. Andere beoordelingen waren er voor voertuigcontrole, het hanteren van het voertuig, het manoeuvreren, observatie en inzicht in het verkeer, en het omkeren. Deze methode werd eerder al toegepast om de verzwakkende werking van alcohol en diazepam aan te tonen (De Gier, 1979; De Gier et al., 1981).

 

Resultaten

De gegevens van twee mannelijke proefpersonen uit de marihuanagroep werden uit de resultaten geweerd omdat noch THC noch THC-COOH in hun bloed werd teruggevonden na het roken. Alcohol noch marihuana hadden een belangrijk effect op de rijvaardigheid, gemeten volgens de eerste methode. Dat wijst op een relatieve ongevoeligheid voor wijzigingen veroorzaakt door drugs. De metingen die volgens de tweede methode gedaan werden, waren meer uitgesproken. Een kleine dosis alcohol (0,034 g%) veroorzaakte een belangrijke verzwakking bij het rijden in de stad, ten overstaan van placebo. Meer specifiek, alcohol verzwakte zowel het hanteren van het voertuig als het manoeuvreren in het verkeer. Marihuana daarentegen, toegediend in doses THC van 100 g/kg en gemeten volgens de tweede methode, veroorzaakte geen belangrijke wijzigingen in de rijvaardigheid.

 

De scores van de proefpersonen wat betreft rijkwaliteit en inspanning om het doel te bereiken verschilden opvallend van de scores van de rijinstructeurs. Beide groepen scoorden wat rijprestaties betreft na placebo iets beter dan "normaal". Na de actieve stoffen lagen de scores merkelijk lager (35 procent) maar er is aangetoond dat proefpersonen in de marihuanagroep zich niet enkel bewust waren van hun intoxicatie, maar eveneens trachtten deze te compenseren. Dat bleken belangrijke bevindingen te zijn. Zij ondersteunden wat algemeen werd aangenomen dat bestuurders na het drinken van alcohol overmoedig worden, en de vermoedens van de onderzoekers dat de bestuurders voorzichtiger en meer kritisch voor zichzelf worden na gebruik van een kleine dosis THC, zoals bij het roken van marihuana.

 

Concentraties van de drug in het bloed konden niet in relatie gebracht worden met de geleverde rijprestaties, noch met de verschillen die optraden bij placebo en actieve stof. Deze resultaten bevestigen de vroegere bevindingen. Ze zijn een beetje verrassend voor wat alcohol betreft maar dat kan te wijten zijn aan de beperkte mate van ethanolconcentraties in het bloed van de verschillende proefpersonen.

 

 

Discussie

 

De resultaten van de studies bevestigen deze van vroegere tests met rijsimulator en op een gesloten circuit door erop te wijzen dat geļnhaleerde THC in doses tot 300 g/kg merkbare, hoewel geen grote, dosisafhankelijke werking heeft op de rijvaardigheid (Smiley, 1986). De standaard afwijking door de effecten van THC was het grootste bij de laterale rijpositie in de volgtest. Dat komt omdat het baan houden in de eerste plaats gestuurd wordt door een automatisch informatieverwerkingssysteem dat opereert buiten de bewuste controle.

 

Dit verwerkingsproces is relatief ondoordringbaar voor veranderingen van buitenaf, maar zeer kwetsbaar voor inwendige factoren die de informatiestroom in het systeem vertragen. THC en veel andere drugs vallen hieronder. Als zij een invloed uitoefenen op het proces dat fouten in het baan houden moet beperken, dan kan de persoon die dit ondervindt, weinig doen om de fouten te compenseren.

 

De test met de voorop rijdende wagen en, in grotere mate, de rijprestaties in het stadsverkeer zijn eerder afhankelijk van een gecontroleerde informatieverwerking en zijn daarom meer toegankelijk voor compenserende mechanismen die de verzwakking verminderen of volledig opheffen.

 

Het effect van THC op het baan houden na doses tot 300 g/kg overtrof nooit het effect van alcohol bij BACs van 0,08 g% en was in geen enkel opzicht ongewoon in vergelijking met vele geneesmiddelen (Robbe, 1994; Robbe en O'Hanlon, 1995; O'Hanlon et al., 1995). Nochtans verschillen de effecten van THC kwalitatief van vele andere drugs, vooral van alcohol. Er zijn elementen uit de huidige en uit de vroegere onderzoekingen die er sterk op wijzen dat alcohol risicovol rijden aanmoedigt, terwijl THC aanzet tot grotere voorzichtigheid. Althans bij de gedane experimenten. Een andere manier waarop THC zich kwalitatief lijkt te onderscheiden van vele andere drugs is dat de genoemde gebruikers beter in staat bleken te zijn om de verzwakkende effecten te compenseren als ze onder invloed reden.      

 

 

Literatuur

 

* De Gier JJ (1979) A subjective measurement of the influence of ethyl alcohol in moderate doses on real  driving performances. Blutalkohol, 16, 363-370.

* De Gier JJ, 't Hart BJ, Nelemans FA en Bergman H (1981) Psychomotor performance and real driving performance of outpatients receiving diazepam. Psychopharmacology, 73, 340-347.

* Jones MH (1978) Driver Performance Measures for the Safe Performance Curriculum. TrafficSafetyCenter, Institute of Safety and Systems Management, University of South California, Los Angeles, CA (DOT HS 803 461).

* Louwerens JW, Gloerich ABM, de Vries G, Brookhuis KA en O'Hanlon JF (1987). The relationship between drivers' blood alcohol concentration (bac) and actual driving performance during high speed travel. Pages 183-192 in PC Noordzij en R Roszbach, eds., Alcohol, Drugs and Traffic Safety. Proceedings of the 10th International Conference on Alcohol, Drugs and Traffic Safety. Excerpta Medica,Amsterdam.

* O'Hanlon JF, Vermeeren A, Uiterwijk MMC, van Veggel LMA en Swijgman HF (1995) Anxiolytics' effects on the actual driving performance of patients and healthy volunteers in a standardized test: an integration of three studies. Neuropsychobiology, 31:81-88.

* Robbe HWJ (1994). Influence of Marijuana on Driving. PhD thesis, Institute for  Human Psychopharmacology, University of Limburg, Maastricht.

* Robbe HWJ and O'Hanlon JF (1995) Acute and subchronic effects of paroxetine and amitriptyline on actual driving, psychomotor performance and subjective assessments in healthy volunteers. Eur. Neuropsychopharmacology, 5:35-42

* Smiley AM (1986). Marijuana: On-road and driving simulator studies. Alcohol, Drugs and Driving: Abstracts and  Reviews 2: 121-134. Nederlandse vertaling en bewerking: ©JosNijsten2005