Federale overheidsdienst justitie

 

 

25 JANUARI 2005. - Gemeenschappelijke richtlijn van de Minister van Justitie en het College van procureurs-generaal omtrent de vaststelling, registratie en vervolging van inbreuken inzake het bezit van cannabis

 

A. Inleiding

 

Ingevolge het arrest van het Arbitragehof van 20 oktober 2004, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 28 oktober 2004, waarbij artikel 16 van de wet van 3 mei 2003 tot wijziging van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen werd vernietigd, werden, in het recente verleden, binnen elk rechtsgebied, gelijkluidende tijdelijke richtlijnen verspreid inzake de vervolging van het bezit, door meerderjarigen, van zeer beperkte hoeveelheden cannabis.

 

Het betreft de volgende dienstbrieven :

 

•de omzendbrief van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel, d.d. 16 december 2004;

• de omzendbrief van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent, d.d. 30 november 2004;

• de omzendbrief van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Bergen, d.d. 27 december 2004;

• de omzendbrief van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen, d.d. 17 december 2004;

• de omzendbrief van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Luik, d.d. 29 oktober 2004.

 

 

B. Draagwijdte

 

1. Onderhavige gemeenschappelijke richtlijn bevestigt de bepalingen van de omzendbrieven die door de onderscheiden procureurs-generaal werden verspreid.

Teneinde de toepassing van deze bepalingen te vergemakkelijken, worden voormelde omzendbrieven vervangen door huidige gemeenschappelijke richtlijn die tevens een aanvulling inhoudt omtrent de wijze van vaststelling en registratie van sommige inbreuken op de drugwetgeving.

Deze gemeenschappelijke richtlijn wijzigt niet de bepalingen van de ministeriële richtlijn van 16 mei 2003 betreffende het vervolgingsbeleid inzake het bezit van en de detailhandel in illegale verdovende middelen die geen verband houden met artikel 16 van de wet van 3 mei 2003, vernietigd door het Arbitragehof.

 

2. Onderhavige gemeenschappelijke richtlijn treedt in voege op 1 februari 2005.

 

C. Richtlijnen inzake de vervolging

 

1. Aan het bezit, door een meerderjarige, van een hoeveelheid cannabis voor persoonlijk gebruik wordt, zoals in het verleden, de laagste prioriteit in het vervolgingsbeleid gegeven, uitgezonderd wanneer het bezit gepaard gaat met verzwarende omstandigheden of verstoring van de openbare orde.

 

2. Zoals onder het regime van de ministeriële richtlijn van 16 mei 2003 betreffende het vervolgingsbeleid inzake het bezit van en de detailhandel in illegale verdovende middelen, wordt het bezit van een hoeveelheid cannabis van maximum 3 gram of één geteelde plant, door een meerderjarige persoon, zonder dat enige aanwijzing inzake verkoop of handel aanwezig is, geacht te zijn voor persoonlijk gebruik.

Nuttigheidshalve kan in dit verband verwezen worden naar het artikel 26bis, 2°, van het koninklijk besluit van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies, zoals ingevoegd door het koninklijk besluit van 16 mei 2003 dat de misdrijven bepaalt die behoren tot de "eerste categorie", zijnde de inbreuken inzake invoer, vervaardiging, vervoer, aanschaf en bezit van slaap- en verdovende middelen, alsmede de teelt van cannabisplanten, voor persoonlijk gebruik.

 

3. De verzwarende omstandigheden zijn deze die opgenomen zijn in artikel 2bis van de wet van 24 februari 1921. De omstandigheden die de openbare orde verstoren, zijn :

• het bezit van cannabis in een strafinrichting of in een instelling voor jeugdbescherming;

• het bezit van cannabis in een onderwijs- of gelijkaardige instelling of in hun onmiddellijke omgeving. Dit zijn de plaatsen waar de leerlingen zich verzamelen of elkaar ontmoeten, zoals een halte van het openbaar vervoer of een park in de nabijheid van een school;

• het ostentatief bezit van cannabis in een openbare plaats of een plaats die toegankelijk is voor het publiek (b.v. een ziekenhuis).

 

De procureur des Konings zal rekening houden met de lokale omstandigheden en zal, desgevallend, daarover preciezere richtlijnen geven.

Met het oog op een adequate handhaving van de openbare orde en rekening houdende met de capaciteit van de politiediensten kan door elke procureur des Konings een bijzondere richtlijn worden verspreid naar aanleiding van massabijeenkomsten. Deze tijdelijke en specifieke richtlijn moet alsdan een welbepaald evenement beogen en gemotiveerd zijn door de omstandigheden, eigen aan het evenement zelf (b.v. een rockfestival).

 

D. Richtlijnen inzake vaststelling en registratie

 

1. De vaststelling van het bezit, door een meerderjarige, van een hoeveelheid cannabis die 3 gram niet overschrijdt of van 1 cannabisplant, bestemd voor persoonlijk gebruik, zonder verzwarende omstandigheid noch verstoring van de openbare orde, zal enkel aanleiding geven tot het opstellen van een vereenvoudigd proces-verbaal (VPV). In alle andere gevallen wordt een gewoon proces-verbaal opgesteld.

 

2. In het vereenvoudigd proces-verbaal zullen enkel de volgende gegevens worden opgenomen :

• notitienummer

• plaats en datum van de feiten

• aard van de feiten (type en hoeveelheid van het product)

• volledige identiteit van de dader

• samenvatting van zijn versie van de feiten.

 

3. De vereenvoudigde processen-verbaal zullen op een elektronische drager worden bewaard binnen de politiedienst die de vaststelling heeft verricht.

 

4. De vereenvoudigde processen-verbaal worden één keer per maand, middels een lijst, overgemaakt aan het parket van de plaats waar de vaststelling werd gedaan.

 

5. De vereenvoudigde processen-verbaal zullen niet in het REA/TPI-systeem worden ingevoerd. Vermits het geen parketzaken zijn, behoren ze niet tot de instroom, stock of uitstroom van de parketten. Zij worden dus niet in de parketstatistieken geteld.

 

6. De inbreuken die, in het kader van onderhavige richtlijn, geregistreerd worden in een VPV, geven geen aanleiding tot een inbeslagname van de aangetroffen verdovende middelen. Deze mogen derhalve in het bezit blijven van de betrokkene. Indien deze laatste er vrijwillig afstand van doet, worden deze stoffen onverwijld vernietigd door de hiertoe aangeduide verantwoordelijke van het betreffende politiekorps.

 

Brussel, 25 januari 2005.

 

De Vice-eerste Minister en Minister van Justitie,

Mevr. L. ONKELINX

 

De procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel, voorzitter van het College van procureurs-generaal,

 

A. VAN OUDENHOVE

De procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen,

 

Mevr. Ch. DEKKERS

De procureur-generaal bij het hof van beroep te Bergen,

 

G. LADRIERE

De procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent,

 

F. SCHINS

De procureur-generaal bij het hof van beroep te Luik,

 

C. VISART de BOCARME