Onderzoek naar de kwaliteit van hennepzaden en hennepolie

 

Tekst en foto's ©JosNijsten2008

 

 

1. Kwaliteit van de zaden

 

Voor voedingsdoeleinden zijn vetgehalte en samenstelling van de vetzuren in de olie van belang. Andere kwaliteitsbepalende elementen met het oog op menselijke voeding zijn het proteïnegehalte, de aminozurensamenstelling en het mineraalgehalte.

 

 

A. Proteïne- en mineraalgehalte   

 

Het proteïnegehalte is met 22,8 procent als minimumwaarde aan eiwitten, hoger dan bij koolzaad (15 - 18 procent) en duidelijk hoger dan het proteïnegehalte van alle andere graansoorten. De vakliteratuur stelt dat het proteïne van hennepzaad zeer hoogwaardig is met een uitgebalanceerde verhouding aan essentiële aminozuren. Het gehalte aan lysine is relatief gering, zoals in alle oliehoudende planten die geen leguminosae zijn.

 

Het gehalte aan mineralen is in vergelijking met andere granen zeer hoog. Uiterst gering daarentegen is het gehalte aan zware metalen, wat een belangrijk aspect is als het over menselijke consumptie gaat(1).

 

 

B. Vetgehalte

 

Het vetgehalte in combinatie met de zaadproductie geeft uitsluitsel over de maximaal mogelijke olieproductie. De samenstelling van de vetzuren is bepalend voor de toepassingsmogelijkheden van de hennepolie.

 

Dit zijn onder meer: menselijke voeding, industrieel gebruik (verf, reinigingsmiddelen, cosmetica) en een farmacologisch gebruik van vetzuren met specifieke werking (gammalinolzuren).

Aan het Landesanstalt für Pflanzenbau (LAP) worden de basisvetgehalten van verschillende soorten door extractie met een vetoplosmiddel volgens een nieuw meetprincipe bepaald(2). De bepaling van het vetzuurgehalte gebeurt via gaschromatografie na verestering van de olie tot een vetzuurmethylester. Als onderzoeksmateriaal werd naast de eerste vier soorten (zie onderstaande tabel) het zaad gebruikt van de oogst van 1996. Voor alle andere onderzoekingen werd zaaigoed voor 1997 gebruikt.

 

Het vetgehalte van de verschillende soorten schommelt tussen de 29 en 35 procent. Deze resultaten stemmen goed overeen met de in de literatuur beschreven waarden(3). Daarbij onderscheidt het oliegehalte bij de klassieke hennepsoorten (Fedora 19, Felina 34, Fasamo) zich niet van de andere geteste soorten. Het oliegehalte van de zaden uit de oogst van 1996 ligt circa 5 procent hoger dan bij het zaaigoed voor 1997 (zie tabellen).

 

Tabel 1: Proteïne- en mineraalgehalte van hennepzaad, gemiddeld over twaalf soorten

 

 

C. Vetzuurpatroon

 

Het vetzuurpatroon van hennepolie blijkt voedingsfysiologisch gezien, uiterst waardevol.

Slechts 9 procent van het totaal aan vetzuren zijn verzadigde vetzuren. Daarmee ligt hennepolie binnen het bereik van een goede voedingsolie. Omdat hoge percentages aan verzadigde vetzuren in verband gebracht worden met een negatief effect op de cholesterol (vetstofwisseling)(4) is het de moeite te streven naar een lager gehalte.

 

Hennepolie overstijgt dit evenwel met een zeer hoog gehalte aan de twee essentiële vetzuren, nl. linolzuren (56 procent) en alfa-linoleenzuren (19 procent). Ons lichaam maakt deze stoffen niet zelf aan, ze worden via de voeding opgenomen. Daarbij is het gehalte aan alfalinolzuren, die als basisbouwstof voor belangrijke actieve bestanddelen van het menselijk lichaam van bijzondere waarde zijn, in vergelijking met andere plantaardige oliën, extreem hoog.

 

Tabel 2: Vetgehalte van de belangrijkste oliehoudende gewassen

 

Een nadeel van het hoge alfalinolzuurgehalte is de hoge oxidatiegevoeligheid van de olie, waardoor deze voor bijvoorbeeld braden of als frituurolie niet geschikt is. Het gehalte aan enkelvoudige onverzadigde vetzuren is met 13 procent eerder gering. Het grootste gedeelte hiervan (11 procent) bestaat uit essentiële aminozuren. Een andere bijzonderheid is het relatief hoge gehalte aan zeldzame gammalinoleenzuren (3 procent).

 

Dit farmacologisch interessante vetzuur varieert bij de diverse soorten tussen de 1,2 en 3,9 procent. Gammalinolzuren worden ingezet bij de behandeling van neurodermatitis en arteriosclerose. Gammalinolzuren komen verder ook nog voor in o.a. de teunisbloem en in een aantal ruwbladigen. Behalve de hoge kostprijs vormt de extractie ervan met oplosmiddelen, een bijkomend nadeel(5). De winning van gammalinolzuren uit hennepzaad daarentegen kan gebeuren door middel van koude persing.

 

Onderzoek aan het FAL Braunschweig wijst uit dat het gehalte gammalinolzuren het hoogste bij de soorten Famaso (3,8 procent) en Juso (3,9 procent). Het laagste gehalte werd vastgesteld bij de Kompolti (1,2 procent), Lovrin 110 (1,7 procent) en de Futura 77 (1,9 procent). Voor de andere vetzuren blijken bij de diverse soorten geen grote verschillen te zijn.

 

Tabel 3: Vetgehalte van diverse hennepsoorten

 

 

D. Δ-9-THC-gehalte

 

In het kader van de problematiek rond het THC-gehalte van hennepolie, werden enkele proeven genomen om de hoeveelheid delta-9-THC te bepalen (zie tabel).

 

Het delta-9-THC-gehalte van de onderzochte oliën schommelt tussen 1 en 9 µg/ml olie. In vergelijking met de onderzoeksresultaten van de Universiteit van Ulm (D) bij hennepproducten die vrij in de handel verkocht mogen worden, zijn deze waarden als relatief gericht te omschrijven.

 

De Ulmse wetenschappers vonden delta-9-THC-waarden tot 151 µg/ml(6). Bij inname van 40 ml olie met 151 µg/ml delta-9-THC, komt dit overeen met een opname van 6 mg THC.

 

Deze hoeveelheid is meetbaar in het bloed en komt overeen met 40 procent van de hoeveelheid THC die, volgens uitspraak van de hoogste rechtsinstantie in Duitsland, als eenheid voor consumptie kan beschouwd worden.

 

Tabel 4: Δ9-THC-gehalte in hennepolie van verschillende soorten

 

De THC concentraties in de olieproeven door het LAP liggen ver beneden de gevonden maximumwaarden in Ulm en zijn daarom zonder enig gevaar voor de gezondheid aan te zien.

 

 

2. Kwaliteit van perskoeken

 

Bij de koude persing van hennepzaad blijft een aanzienlijke hoeveelheid hennepkoek over. De kwaliteit ervan als voeding werd onderzocht door een analyse te maken van de aanwezige mineralen en de voedingswaarde.

 

Met 6,9 procent water en 8,5 procent minerale stoffen zijn de perskoeken een relatief stabiele, resp. mineraalrijke voedingsgrondstof. Het gehalte aan fosfor (P), kalium (K), Calcium (Ca) en Magnesium (Mg) komt overeen met de onderzoeksresultaten van Ulm.

 

Tabel 5: Gehalte aan mineralen: gemeten in een mengsel van diverse perskoeken (gemiddelde van twee onafhankelijke studies)

 

Wanneer men het mineralengehalte van hennepolie vergelijkt met dit van meel en perskoeken van ander oliehoudende gewassen(7) valt in het bijzonder het hoge fosfaatgehalte op. Koolzaadmeel, (resp. sojameel - waarde tussen haakjes) bevatten 2,3 (1,6) procent P2O5, 0,8 (0,4) procent CaO en 0,8 (0,5) procent MgO.

 

De lage Ca-waarde en de hoge P-waarde tonen parallellen met graan zodat het in graanmest bestaande onevenwicht, ten nadele van calcium, nog versterkt wordt. Met een proteïnegehalte in de perskoeken van 35 procent zit de hennep-perskoek in dezelfde orde van grootte als bijvoorbeeld soja, zonnebloem, vlas, koolzaad. Voor niet-herkauwers is de perskoek (lysinearm) minder geschikt.

 

Tabel 6: Voedingswaarde van hennepperskoeken gemeten in een mengsel van diverse soorten (analyse van LUFA Augustenberg)

 

 

De proteïnekwaliteit is bij herkauwers evenwel van minder belang zodat zich in die richting mogelijkheden aandienen. Het vezelgehalte ligt met 26 procent zeer hoog. Het grootste gedeelte ervan zit in de pel die echter slecht verteert en de voedingswaarde vermindert. Bij andere oliehoudende planten ligt het vezelgehalte tussen 3 en 15 procent(8).

 

De energie-inhoud is met 4,0 MJ/kg en 549 calorieën per kilo eerder gering als we vergelijken met koolzaadperskoek waar de resp. waarden op 5,9 MJ/kg en 590 calorieën, voor sojaperskoek op 7,2 MJ/kg en 720 calorieën per kilo(9).

 

 

3. Voedingcontrole

 

Sedert hennep opnieuw als industriële grondstofleverancier in de vorm van THC-arme soorten geteeld kan worden, is er ook een toenemende productie van voedingswaren die met zaden of met de olie van hennep gemaakt worden. In 1997 werd door de BgVV (Bundesinstitut für gesundheitlichen Verbraucherschutz und Veterinärmedizin - federaal instituut voor consumentenveiligheid en diergeneeskunde) al een maximum THC-opname uit levensmiddelen vastgelegd op 1 à 2 µgram per kilogram lichaamsgewicht per dag. Deze inschatting werd in maart 2000 bevestigd zodat thans met die waarden rekening gehouden wordt.

 

Berekend op herhaaldelijk dagelijks gebruik van voedingswaren met hennepingrediënten, werden de waarden als volgt bepaald:

 

* 5 µg/kg voor alcoholische en niet-alcoholische dranken

* 5.000 µg/kg voor voedingsolie

* 150 µg/kg voor alle andere levensmiddelen.

 

Er wordt bij gezegd dat deze waarden voorlopig zijn 'omdat de werking van THC nog niet voldoende bekend is'.

 

HanfHaus GmbH, einde jaren negentig de belangrijkste producent van hennepvoedingswaren en Europees marktleider in hennepproducten in het algemeen, reageerde met ongeloof. Dergelijke voorwaarden worden immers enkel gesteld wanneer het om levensgevaarlijk hoogradioactief afval gaat. Voor Mathias Bröckers, publicist en voormalig zaakvoerder van HanfHaus, was dit onaanvaardbaar. HanfHaus omvatte twaalf filialen en toeleveringsbedrijven met meer dan 100 arbeidsplaatsen en was daarmee één van de belangrijkste ecologische vernieuwingen van de jaren 90. Er is trouwens voorbijgegaan aan het feit dat hennepzaden al 10.000 jaar als voedingszaden in gebruik zijn. De vastgelegde waarden betekenen de doodsteek voor de Duitse hennepindustrie. Indien dezelfde norm gehanteerd zou worden voor alcohol - als het over roes gaat - zou de helft van alle fruit en duizenden andere levensmiddelen uit de handel moeten verdwijnen.

 

Bröckers stelt dat het niet kan dat een ecologische industrie met zulk potentieel door grenswaarden in voedingsmiddelen geruïneerd wordt, grenswaarden die niet gebaseerd zijn op wetenschappelijke consensus maar ingegeven zijn door een achterhaalde drugpolitiek.

 

Tot op heden werd geen enkele klacht genoteerd van gezondheidsproblemen door THC in voedingswaren. Bröckers vraagt dan ook aan de overheid de aanbevelingen van de BgVV niet te volgen en de zaak wetenschappelijk te bekijken alvorens te concluderen(10).

 

Het is toch wel eigenaardig dat de maximaal toegelaten hoeveelheden voor THC in de voeding zo scherp worden gesteld als uit 15 jaar ervaring met marinol blijkt dat een patiënt per dag 20 mg toegediend mag krijgen. Het is nog eigenaardiger als we de vergelijking maken met de maximaal toegelaten hoeveelheden van andere stoffen.

 

Zo liggen de waarden van de restanten van bestrijdingsmiddelen veel hoger:

* Anorganische arseenverbindingen (fruit, groenten, aardappelen, ...): 0,1 milligram per kilogram voedselgewicht.

* DDT (dierlijke producten): 1 milligram per kilo voedselgewicht.

* Paraquat (olijven): 2 milligram per kilo gewicht.

* Blauwzuur of cyanide (bloem, noot, cacao, koffie, thee, peulvruchten): 6 milligram/kg.

* Blauwzuur of cyanide (specerijen, granen): 15 milligram per kilogram voedselgewicht.

 

Van paraquat en arsenicumverbindingen is geweten dat zij in derdewereldlanden kwistig gesproeid worden en mee verantwoordelijk zijn voor de tienduizenden acute sterfgevallen en de honderdduizenden ernstige vergiftigingen elk jaar opnieuw. De effectiviteit van het bestrijdingsmiddelengebruik is discutabel. In de Verenigde Staten zijn gegevens bekend over de periode 1945 tot 1986. Het gebruik in kilo's actieve stof nam toe met factor 33. De giftigheid steeg in die periode met factor 10. De kracht van de ingezette bestrijdingsmiddelen is dus sinds 1945 meer dan 300 keer zo groot geworden. De oogstverliezen zijn desondanks niet gedaald... (11)

 

 

Bronnen

 

(1) Wirtshafter D.J.D. 1995: Why Hemp Seeds ? In: nova-Institut (Hrsg.): Biorohstoff Hanf, Bioresource hemp, Reader zum Symposium, Frankfurt 2.3-5.3.1995.

(2) Siegel H., 1997: Solid-Fluid-Wirbelstrom-Serienextraktionsverfahren, GIT Laborfachzeitschrift 41 (5), 486-487.

(3) Theimer R.R., Mölleken H. 1995: Ergebnisse derr Hanfölanalytik - Nutzungsmöglichkeiten. In: nova-Institut (Hrsg.): Biorohstoff Hanf, Bioresource hemp, Reader zum Symposium, Frankfurt 2.3-5.3.1995

(4) Trautwein E. A., Erbersdobler H. F. 1997: Rapssorten mit verändertem Fettsäuremustereine ernährungswissenschaftliche Betrachtung, Raps 15 (4), 152-155

(5) Wirtshafter D.J.D. 1995: Why Hemp Seeds ? In: nova-Institut (Hrsg.): Biorohstoff Hanf, Bioresource hemp, Reader zum Symposium, Frankfurt 2.3-5.3.1995

(6) Alt A., Reinhardt G. 1996: Speiseöle auf Hanfbasis und ihr Einfluß auf die Ergebnisse von Urin und Blutanalysen, Blutalkohol Vol. 3, 347-356

(7) Bell J.M. 1989: Nutritional characteristics and protein uses of oilseed meals. In: Röbbelen G., Downey R.K., Ashri A. (Hrsg.): Oil crops of the world, 193-207, McGraw-Hill, New York

(8) Bell J.M. 1989: Nutritional characteristics and protein uses of oilseed meals. In: Röbbelen G., Downey R.K., Ashri A. (Hrsg.): Oil crops of the world, 193-207, McGraw-Hill, New York

(9) Dr. Bettina Seith, Kerstin Stolzenburg, Klaus Mastel Landesanstalt für Pflanzenbau, Rheinstetten.

(10) Persmededeling nova-Institut 16.03.2000.

(11) Reynders L., 1991, Bestrijdingsmiddelen.